Je bekijkt nu Ongevraagd advies over concept-participatie-verordening

Ongevraagd advies over concept-participatie-verordening

De adviesraad spreekt zich uit over veranderingen en verbeteringen in het participatiebeleid van de gemeente Amsterdam.

Aan:    het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam
t.a.v. de heer A. Scholtes, wethouder Zorg en Maatschappelijke ontwikkeling
Postbus 202
1000  AE  Amsterdam

Amsterdam, 30 januari 2024

Onderwerp: Ongevraagd advies concept-participatieverordening

Geachte heer Scholtes,

De Wmo-Adviesraad heeft kennisgenomen van de concept-participatieverordening en deze aan de hand van een aantal vragen in zijn vergadering van 18 januari 2024 besproken met uw medewerkers Jette Bolle en Claudia Tempelman.

In het algemeen heeft de raad waardering voor de intenties van de gemeente die uit de concept-participatieverordening spreken, zoals het streven naar helderheid en transparantie en de wens om de Amsterdammer nog meer het gevoel te geven dat men gezien en gehoord wordt. Ook het idee van een leertraject in de vorm van een participatiewerkplaats juicht de raad toe. De Wmo-Adviesraad verwacht dat de nieuwe verordening een meerwaarde oplevert voor de bestaande procedures zoals die voor onze raad gelden.

Graag vragen we uw aandacht voor het volgende. De participatieverordening is niet van toepassing als er al een structurele vorm van participatie voor een bepaalde situatie of onderwerp in een ander voorschrift is vastgelegd. Dit is om te voorkomen dat bij structurele vormen van participatie er iedere keer een verplichting is om toch een participatieplan op te stellen. Dit geldt dus onder andere voor onderwerpen die onder het domein van de Wmo-Adviesraad vallen.

De Wmo-Adviesraad begrijpt dat een verplichte stapeling van participatie kan leiden tot vertraging en onnodige procedures, en dat is onwenselijk. De samenloop is nog niet concreet uitgewerkt en de Wmo-Adviesraad adviseert dit op korte termijn te gaan doen. Hierdoor kan verplichte stapeling van participatie worden voorkomen en de meerwaarde van de nieuwe verordening worden gerealiseerd.

Bij de uitwerking verzoekt de Wmo-Adviesraad in ieder geval aandacht aan de volgende punten en vragen te besteden:

a. Een adviesaanvraag wordt meestal pas aan de Wmo-Adviesraad gestuurd als het beleid of product nagenoeg klaar is. De Participatieverordening maakt de beweging van toetsend en controlerend achteraf naar een expliciete en bewuste afweging voorafgaand aan het proces (p. 10). Dit is een beweging die de Wmo-Adviesraad onderschrijft en het zou jammer zijn als bij onderwerpen die onder het domein van de Wmo-Adviesraad vallen, de participatie van Amsterdammers beperkt zou worden tot participatie in de eindfase van de beleidsontwikkeling, omdat de Participatieverordening niet van toepassing is. Geef in de uitwerking duidelijk aan hoe de twee vormen van participatie zich tot elkaar verhouden.

b. In welke gevallen is “aanvullende inzet vanuit ervaringskennis en/of ervaringsdeskundigheid” gewenst vanuit de Wmo-Adviesraad?

c. Als er een beroep wordt gedaan op een uitzonderingsgrond artikel 3, lid 4 (geen participatieplan ivm dubbeling), is het naar het oordeel van de Wmo-Adviesraad gewenst dat dit in een zo vroeg mogelijk stadium van de besluitvorming (of liever besluitvoorbereiding) kenbaar wordt gemaakt, zodat relevante instanties (gemeenteraad, Wmo-Adviesraad etc.) daar iets van kunnen vinden en dan eventueel kunnen aandringen op het tóch opstellen van een participatieplan. Als dat pas in een laat stadium van de besluitvorming zou gebeuren, kan er een voldongen-feit situatie ontstaan, omdat het alsnog doorlopen van een participatietraject dan ongewenste vertraging zou opleveren. Hoe wordt dit punt vormgegeven?

Ten slotte verzoeken wij u om de Wmo-Adviesraad bij de nadere uitwerking van de samenloop te betrekken en ons in uw reactie te zeggen hoe u die betrokkenheid vorm gaat geven.

Wij zien uw reactie tegemoet.

Met vriendelijke groet,

namens de Wmo-Adviesraad Amsterdam,

Marianne Kraaijeveld, voorzitter

Geef een reactie